De zaak
Op 24 maart 2026 deed de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak in een zaak over een zelfstandig logopedist die sinds 2024 werkte voor één logopediepraktijk (ECLI:NL:RBZWB:2026:1391). Op papier had de Belastingdienst een sterk dossier: één opdrachtgever, een samenwerking die al langere tijd liep, en werk dat plaatsvond binnen de organisatie van de praktijk — precies de combinatie van kenmerken die doorgaans als eerste signaal voor schijnzelfstandigheid geldt.
De rechtbank oordeelde toch dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Beslissend was niet de duur van de samenwerking of het feit dat er maar één opdrachtgever was, maar hoe de logopedist feitelijk werkte: zelfstandig, zonder inhoudelijk toezicht, met een eigen planning en de vrijheid om met eigen materialen te werken.
Waarom 'lang' en 'één opdrachtgever' geen doorslaggevende gezichtspunten zijn
Deze uitspraak is een goede illustratie van iets dat in de negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest makkelijk wordt overschat: de duur van een samenwerking en het aantal opdrachtgevers zijn ieder maar één gezichtspunt tussen negen, zonder onderlinge rangorde. Ze wegen mee, maar geen van beide is op zichzelf bepalend — precies de lijn die het gerechtshof Amsterdam ook in de Uber-zaak bevestigde.
Wat in deze zaak wél de doorslag gaf, was de feitelijke uitvoering van het werk: geen instructies over hoe het werk moest gebeuren, geen verplichte aanwezigheid buiten de eigen planning om, en de vrijheid om eigen materialen en methodes te gebruiken. Dat zijn kenmerken van persoonlijk ondernemerschap die los staan van hoe lang een samenwerking al duurt.
Het spiegelbeeld van de Temper-uitspraak
Het is nuttig deze uitspraak naast de Temper-uitspraak te leggen, waarin het gerechtshof Amsterdam tot het tegenovergestelde oordeel kwam. Waar Temper-werkers feitelijk onder leiding en toezicht van de opdrachtgever stonden, weinig eigen ondernemersrisico droegen en amper investeerden in eigen bedrijfsmiddelen, gold voor de logopedist het omgekeerde: zelfstandige uitvoering, eigen materiaal, eigen planning. Twee uitspraken, dezelfde toets, tegenovergestelde feiten — en dus tegenovergestelde uitkomsten. Dat is precies hoe de toets hoort te werken: niet de sector of het soort samenwerking is bepalend, maar de feitelijke praktijk per geval.
Een kanttekening die er wél toe doet
Deze uitspraak is van de rechtbank — niet van een gerechtshof of de Hoge Raad — en betreft bovendien de beoordeling van één individuele, specifieke situatie. Het is geen vrijbrief voor 'langdurig bij één opdrachtgever werken is altijd goed'. De uitspraak bevestigt vooral dat de duur van een samenwerking op zichzelf geen automatisch signaal van schijnzelfstandigheid is, zolang de manier van werken daadwerkelijk zelfstandig is. Verandert de feitelijke praktijk — meer aansturing, minder eigen vrijheid — dan verandert ook de uitkomst van de toets, ongeacht wat er in deze zaak is geoordeeld.
Wat dit betekent voor zzp'ers in de zorg
Voor zorgprofessionals die het grootste deel van hun tijd bij één instelling werken — niet ongewoon bij specialistische functies of een vaste flexpool — is dit een geruststellende, maar ook een precieze uitspraak. Geruststellend, omdat het bevestigt dat concentratie bij één opdrachtgever niet automatisch tot loondienst leidt. Precies, omdat de uitspraak tegelijk laat zien waar het dan wél op aankomt: bepaal je zelf hoe je het werk uitvoert? Werk je met eigen materialen en een eigen planning, of volg je instructies en een rooster dat de instelling voor je invult? Dat zijn de vragen waarop het aankomt, niet de vraag hoe lang de samenwerking al duurt.
Wat dit betekent voor zorginstellingen
Voor instellingen die zzp'ers langdurig inzetten — bijvoorbeeld binnen een vaste flexpool — bevestigt deze uitspraak dat duur op zichzelf geen probleem hoeft te zijn, mits de werkwijze dat ondersteunt. Dat is geen vrijbrief om aansturing en planning net zo in te richten als bij eigen personeel en te vertrouwen op de lengte van de relatie om dat goed te praten. De uitspraak beloont juist het omgekeerde: hoe minder een instelling de uitvoering van het werk zelf bepaalt, hoe steviger de positie bij een eventuele toets — onafhankelijk van de duur van de samenwerking.
Hoe CaredIn hierop is ingericht
De zelfstandigheidsscore weegt onder meer hoezeer het werk van een professional bij één opdrachtgever is geconcentreerd — maar behandelt dat bewust als signaal, niet als vonnis, precies omdat deze uitspraak laat zien dat concentratie alleen onvoldoende zegt. Wat wél blijft meewegen, en wat het platform niet kan en niet probeert te sturen: hoe de dienst feitelijk wordt ingevuld. CaredIn wijst geen diensten toe, geeft geen instructies over de uitvoering en beoordeelt na afloop niet op werkhouding of het opvolgen van aanwijzingen — de professional en de instelling regelen dat zelf, direct, buiten het platform om.
Geen van deze functies is een garantie: schijnzelfstandigheid wordt per geval beoordeeld op de feitelijke praktijk, niet op wat een platform faciliteert. Deze uitspraak laat wel zien dat een langdurige samenwerking op zich geen probleem hoeft te zijn — mits de vrijheid in hoe het werk wordt gedaan, echt bij de professional blijft liggen.
Bron: Rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBZWB:2026:1391.