De uitspraak
Op 16 juni 2026 oordeelde het gerechtshof Amsterdam, in hoger beroep van vakbonden FNV en CNV, dat werkers die via klusplatform Temper aan de slag gaan geen zelfstandigen zijn, maar uitzendkrachten. Het hof draaide daarmee een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam terug, die in 2024 nog had geoordeeld dat Temper wél een neutraal platform was. Temper gaat in cassatie bij de Hoge Raad; zolang die procedure loopt, hoeft Temper de uitspraak nog niet uit te voeren. De uitspraak is dus nog niet onherroepelijk, maar de onderliggende toets is dat wel — en die toets is relevant voor iedere professional die via een platform werkt.
Waarom het hof tot een ander oordeel kwam dan de rechtbank
Het verschil zat niet in het toetsingskader — beide rechters toetsten aan de negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad (2023) — maar in de weging. De rechtbank keek vooral naar de formele opzet: Temper betaalt niet rechtstreeks uit, werkers kunnen een klus weigeren, er is geen exclusiviteit. Het hof keek naar de feitelijke uitvoering en concludeerde: niet de gekozen contractvorm is bepalend, maar de manier waarop partijen daadwerkelijk samenwerken. Een overeenkomst die "zelfstandige" vermeldt, weegt niet op tegen een praktijk die daar niet mee overeenkomt.
De gezichtspunten die de doorslag gaven
Het hof beoordeelde een aantal concrete kenmerken. Voor elke professional die via een platform werkt — of voor een instelling die opdrachtnemers inhuurt — zijn dit de punten om tegen het eigen werk te leggen, ongeacht het platform.
- Gedeeld gezag. Werkers stonden feitelijk onder leiding en toezicht van de opdrachtgever, die de werkzaamheden bepaalde en instructies gaf. Het gezag was verdeeld tussen Temper en de opdrachtgever — de driehoeksverhouding die kenmerkend is voor uitzendwerk.
- Inbedding in de kernactiviteit. Het werk maakte deel uit van de normale bedrijfsvoering van de opdrachtgevers en betrof geen specialistische opdracht, maar de kernactiviteit zelf — bezorging voor een bezorgbedrijf, verkoop voor een winkel.
- Actieve tariefsturing. Temper stond geen tarief onder het minimumloon toe, toonde vergelijkbare regionale tarieven, en waarschuwde expliciet dat onderhandelen de kans op selectie verkleint. Het hof beoordeelde dit als tariefbepaling, niet als bemiddeling.
- Vrijwel geen ondernemersrisico. Werkers liepen nauwelijks debiteurenrisico, mede doordat factoringmaatschappij Finqle de uitbetaling garandeerde — ook wanneer de opdrachtgever nog niet had betaald.
- Beperkt ondernemerschap. Het werk vroeg weinig investering, en 47% van de werkers had geen KvK-inschrijving — en kon dus formeel niet als ondernemer optreden.
Het hof verwierp bovendien het argument dat vervangingsrecht en indirecte betaling voldoende tegenwicht boden: in de praktijk wogen die kenmerken onvoldoende tegen de rest van het beeld.
Betekenis voor de opdrachtnemer
Deze gezichtspunten gelden voor elk platform en elke instelling, onafhankelijk van deze specifieke zaak — het is bovendien exact het toetsingskader waarop de Belastingdienst sinds 1 januari 2025 handhaaft. Relevante vragen bij elke opdracht: bepaalt u zelf hoe het werk wordt uitgevoerd, of wordt u aangestuurd als personeel? Is er ruimte om over het tarief te onderhandelen, of wordt dat ontmoedigd? Draagt u zelf het risico bij een onbetaalde factuur, of ligt dat risico stilzwijgend elders? Betreft het specialistisch werk, of routinewerk dat evengoed door personeel in loondienst uitgevoerd zou kunnen worden?
Betekenis voor zorginstellingen
Voor zorginstellingen is dit geen abstract risico. Wanneer een platform of bemiddelaar in de praktijk als werkgever wordt aangemerkt, verschuift de aansprakelijkheid voor loonheffingen, cao-verplichtingen en achterstallig vakantiegeld mee — met terugwerkende kracht, soms over meerdere jaren. Een instelling die opdrachtnemers inhuurt via een platform doet er goed aan zelf te beoordelen of dat platform stuurt op tarief, aansturing en risicoverdeling, in plaats van te vertrouwen op de gekozen contractvorm.
Hoe CaredIn hierop is ingericht
Elk gezichtspunt uit de Temper-uitspraak heeft geleid tot een specifieke productkeuze:
- Het tarief is onderhandelbaar, niet gestuurd. CaredIn toont geen vergelijkbare tarieven en ontmoedigt onderhandelen niet — de opdrachtnemer en de instelling spreken zelf een tarief af.
- Geen beoordeling op aansturing. Instellingen beoordelen na afloop van een dienst niet op werkhouding of het opvolgen van instructies — dat wijst op een gezagsverhouding. Er wordt wel gevraagd of het werk zelfstandig is ingedeeld en uitgevoerd.
- Geen geïntegreerde betaalverwerker. CaredIn betaalt zelf niets uit en garandeert geen betaling. Geld gaat rechtstreeks van instelling naar opdrachtnemer; kiest een van beide partijen voor factoring, dan is dat een eigen afspraak met een derde partij, los van het platform.
- Ondernemerscheck, KvK- en BIG-verificatie zijn verplicht — precies de vereisten waaraan bij Temper bijna de helft van de werkers niet voldeed.
- Specialistisch werk. Verpleegkundige, verzorgende of begeleidende zorg is per definitie geen routinewerk dat inwisselbaar is met vast personeel — een fundamenteel ander uitgangspunt dan bezorging of verkoop.
Geen van deze keuzes is een garantie: schijnzelfstandigheid wordt uiteindelijk beoordeeld op de feitelijke praktijk, niet op wat een platform stelt. Het zijn wel precies de gezichtspunten waarop het hof in de Temper-zaak toetste. Voor elke professional die voor een platform kiest, en voor elke instelling die er opdrachtnemers via inhuurt, is het raadzaam diezelfde punten te toetsen — ongeacht om welk platform het gaat.