Wordt een inhuurrelatie achteraf als dienstbetrekking aangemerkt, dan landt de naheffing loonheffingen bij de opdrachtgever — niet bij de professional. Dit stuk legt uit hoe die beoordeling werkt en wat dat betekent voor de zorg in het bijzonder.
De Hoge Raad beoordeelt een arbeidsrelatie in twee stappen. Eerst wordt vastgesteld welke afspraken zijn gemaakt en hoe die in de praktijk worden uitgevoerd. Daarna volgt de vraag of dat geheel voldoet aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst uit artikel 7:610 BW: arbeid, loon en gezag.
Doorslaggevend is de feitelijke uitvoering. Wijkt de dagelijkse gang van zaken af van wat er op papier staat, dan telt de praktijk. Een modelovereenkomst is daarmee een noodzakelijk startpunt en geen eindpunt: wie een professional contractueel als zelfstandige aanmerkt maar hem vervolgens inroostert, aanstuurt en uitbetaalt als werknemer, heeft aan dat contract niets.
Het Deliveroo-arrest benoemt negen gezichtspunten die in onderling verband wegen. In het Uber-arrest bevestigde de Hoge Raad dat daartussen geen rangorde bestaat: het aanbrengen van een volgorde is aan de wetgever, niet aan de rechter. Geen enkel punt is dus op zichzelf beslissend — ook een waterdicht vervangingsrecht niet.
Een resultaatverplichting wijst richting opdracht, een inspanningsverplichting richting dienstbetrekking. Een langere, doorlopende relatie weegt richting dienstbetrekking.
Ligt dat vast door de aard van het werk, dan weegt het minder zwaar. Voor de zorg is dat relevant: een dienst vindt per definitie plaats op de locatie en tijd van de instelling.
Werkt de professional mee in de reguliere bezetting, met dezelfde voorzieningen en regelingen? Voor zorginstellingen is dit structureel het lastigste punt, omdat de zorg zelf tot de kernactiviteit behoort.
Een vrij vervangingsrecht helpt, maar weegt sinds Deliveroo minder zwaar dan lang werd aangenomen. Het is niet op zichzelf doorslaggevend.
Onderhandelingsruimte over tarief en voorwaarden wijst op ondernemerschap. Een vast inkooptarief zonder tegenspraak doet dat niet.
Het kader is hier expliciet: verzorgt de opdrachtgever de facturen of betaalt die automatisch uit, dan wijst dat op een arbeidsovereenkomst.
Een tarief dat duidelijk boven het loon van vergelijkbaar personeel in loondienst ligt, wijst richting ondernemerschap.
Wie draagt het risico bij ziekte, schade of werk dat onder de maat blijft? Een eigen arbeidsongeschiktheidsvoorziening is hier relevant.
Ook buiten deze ene relatie: meerdere opdrachtgevers, eigen presentatie, eigen investeringen. Dit is het sterkste tegenwicht tegen punt 3.
Punt 3, inbedding in de organisatie, is voor zorginstellingen structureel het lastigste. Zorg verlenen is uw kernactiviteit, en een dienst vindt nu eenmaal plaats op uw locatie, op uw tijden, met uw middelen en uw protocollen. Dat is inherent aan het werk en niet op te lossen met een contractclausule.
Daar staat tegenover dat punt 2 juist minder zwaar weegt naarmate plaats en tijd door de aard van het werk worden bepaald — een chirurg opereert in het ziekenhuis, niet thuis. En het sterkste tegenwicht zit in punt 9: hoe meer een professional zich aantoonbaar als ondernemer gedraagt, met meerdere opdrachtgevers en een eigen praktijkvoering, hoe minder zwaar de inbedding bij u afzonderlijk weegt.
Dit wordt vaak gemist en heeft directe gevolgen voor hoe u uw inhuur inricht. Na het Uber-arrest oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat een deel van de chauffeurs géén arbeidsovereenkomst had, terwijl er voor andere chauffeurs onvoldoende gegevens waren om dat vast te stellen. Hetzelfde werk, hetzelfde platform, een andere uitkomst per persoon.
Dat betekent dat een oordeel over "onze zzp'ers" als groep juridisch niet bestaat. Een leverancier die u vertelt dat al zijn professionals gegarandeerd zelfstandig zijn, doet een uitspraak die de toets niet kan dragen. Omgekeerd geldt hetzelfde: dat één inhuurrelatie als dienstbetrekking wordt aangemerkt, zegt niets over de rest.
De praktische consequentie: houd uw dossier per professional bij, niet per leverancier of per functiegroep.
Los van bovenstaande toets treedt op 31 december 2026 een apart wettelijk rechtsvermoeden in werking (wet 36.783). Ligt het uurtarief onder €38,– (prijspeil 1 januari 2026), dan kan de werkende zich beroepen op het vermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst; het is dan aan de opdrachtgever om het tegendeel aannemelijk te maken. Dat vermoeden staat naast de holistische toets, die ook onder dat tarief en erboven gewoon blijft gelden.
Zeven vragen over hoe u nú met zzp'ers werkt. U krijgt per signaal te zien wat meeweegt en wat u eraan kunt doen. Geen account nodig; je ontvangt de uitkomst per mail.
Doe de DBA-check →Dit stuk is een toelichting op hoofdlijnen en geen juridisch advies. Voor de maatregelen die op ons eigen platform zijn ingebouwd, en voor de gedragscode die daarbij hoort: