De uitspraak: geen vast stramien, geen automatische kwalificatie

De Hoge Raad oordeelde in 2025 in de Uber-zaak, en het gerechtshof Amsterdam bevestigde en verduidelijkte dat in januari 2026 in het vervolgarrest, dat er geen vaste formule bestaat om te bepalen of iemand zzp'er is of werknemer. Geen checklist die per sector of per platform automatisch tot dezelfde uitkomst leidt. Een arbeidsrelatie moet altijd beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval, en geen van die omstandigheden krijgt vooraf voorrang op de andere.

Dat is een belangrijker punt dan het lijkt. Het betekent dat het persoonlijk en extern ondernemerschap van de werkende — hoe iemand zich in het economisch verkeer manifesteert, of iemand investeert, risico draagt, meerdere opdrachtgevers heeft — een volwaardig gezichtspunt is, dat in een concreet geval zelfs doorslaggevend kan zijn. Iemand die exact hetzelfde werk doet als een collega in loondienst, kan toch zzp'er zijn als zijn eigen ondernemerskenmerken dat rechtvaardigen.

Waarom dit meer is dan een uitspraak over taxiritten

De zaak ging over Uber-chauffeurs, maar de toets die de Hoge Raad hanteert is dezelfde toets die al sinds het Deliveroo-arrest van 2023 geldt voor iedere arbeidsrelatie in Nederland — negen gezichtspunten, zonder onderlinge rangorde, gewogen naar de feiten van het specifieke geval. Het Uber-arrest voegt daar geen nieuwe criteria aan toe. Het bevestigt wel expliciet iets dat platforms en opdrachtgevers vaak liever anders zagen: er is geen kortere weg. Geen enkele rechter of toezichthouder mag een hele beroepsgroep, sector of platform in één keer over één kam scheren.

Betekenis voor de Wet VBAR

De Wet VBAR (Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties) moet meer duidelijkheid geven met indicatoren voor 'sturing en gezag' tegenover 'zelfstandig ondernemerschap' en 'organisatorische inbedding'. Het Uber-arrest scherpt de kaders waarbinnen die wet moet functioneren op een aantal punten aan:

  • Geen hiërarchie tussen de criteria. Persoonlijk ondernemerschap moet in de VBAR een gelijkwaardig gewicht krijgen naast de vraag of het werk organisatorisch is ingebed — niet een gezichtspunt dat pas meetelt als de rest al naar 'werknemer' wijst.
  • Geen sectorale deken. De wet kan niet worden ingericht als een generieke omzetting van hele groepen platform- of flexwerkers naar werknemerschap. Het hof stelde uitdrukkelijk vast dat het juridisch onmogelijk is om een hele categorie werkenden collectief als werknemer aan te merken.
  • De ondernemer buiten het contract telt mee. Factoren buiten de specifieke opdracht — investering in eigen materieel, meerdere opdrachtgevers, een zichtbare eigen bedrijfsidentiteit — kunnen bepalend zijn. De indicatoren in de VBAR zullen daar rekening mee moeten houden, niet alleen met wat er binnen één opdracht gebeurt.

Betekenis voor de handhaving door de Belastingdienst

Sinds het opheffen van het handhavingsmoratorium op 1 januari 2025 controleert de Belastingdienst weer actief op schijnzelfstandigheid. Het Uber-arrest verandert de speelruimte daarbij aanzienlijk:

  • Groepsgewijze naheffingen worden veel lastiger. Een generieke correctie op het niveau van een platform of opdrachtgever houdt geen stand als werkenden onderling sterk verschillen in hun ondernemerschap. De fiscus kan niet stellen dat een hele schil van zzp'ers zonder onderscheid eigenlijk in loondienst is.
  • Individuele dossieropbouw is verplicht. De Belastingdienst moet het dossier van de individuele werkende beoordelen. Een controle op alleen het platform of de opdrachtgever volstaat niet meer.
  • Investeringen en vrijheid wegen zwaar. Wie substantieel investeert in eigen bedrijfsmiddelen en volledige vrijheid heeft over werktijden en opdrachtacceptatie, valt na dit arrest veel minder snel onder schijnzelfstandigheid.

Wat dit betekent voor zzp'ers in de zorg

De praktische consequentie is dat het voor een individuele zorgprofessional loont om het eigen ondernemerschap zichtbaar en aantoonbaar te maken — niet als formaliteit, maar omdat het letterlijk het gezichtspunt is waarnaar een rechter of controleur nu expliciet moet kijken. Werk je voor meerdere opdrachtgevers, of concentreert alles zich bij één instelling? Onderhandel je zelf over je tarief, of accepteer je wat wordt voorgesteld? Heb je een zichtbare eigen bedrijfsidentiteit — KvK, eigen naam, eigen profiel — of ben je in de praktijk inwisselbaar met personeel?

Wat dit betekent voor zorginstellingen

Voor instellingen werkt dit arrest twee kanten op. Het biedt meer ruimte om met zzp'ers te werken, mits het ondernemerschap van de ingehuurde professional echt onderbouwd en aantoonbaar is — maar het scheldt niets kwijt. Een instelling die zelf niet kan laten zien dat de mensen die zij inhuurt daadwerkelijk zelfstandig ondernemer zijn, loopt nog altijd hetzelfde risico als voorheen. De vrijblijvendheid van 'we werken nu eenmaal met zzp'ers' verdwijnt niet — die verschuift naar een individuele onderbouwingsplicht, per professional.

Hoe CaredIn hierop is ingericht

Elk gezichtspunt uit het Uber-arrest is direct te herleiden naar een keuze die al in het platform zit, niet als reactie op deze uitspraak maar omdat het dezelfde toets is die al sinds het Deliveroo-arrest gold:

  • De zelfstandigheidsscore meet precies deze signalen. Op het dashboard en in de app ziet elke professional een score die onder meer weegt: hoeveel van het werk bij één opdrachtgever is geconcentreerd, de uitkomst van de Ondernemerscheck, en of er een zichtbare eigen bedrijfsidentiteit is — logo en website. Dat zijn letterlijk de 'ondernemer buiten het contract'-signalen waar het hof naar keek, met een eigen uitlegpagina die stap voor stap laat zien wat je er zelf aan kunt doen.
  • Het ondernemersdossier bouwt het individuele bewijs op dat de Belastingdienst nu verplicht moet beoordelen. Het onderhandelingslogboek, de tariefgeschiedenis per opdrachtgever en de gewerkte diensten vormen samen precies het dossier op persoonsniveau — niet op platform- of sectorniveau — waar handhaving nu om vraagt.
  • Het tarief is onderhandelbaar, niet gestuurd. CaredIn toont geen vergelijkbare tarieven en ontmoedigt onderhandelen niet. De zzp'er en de instelling spreken dat zelf af, en elk tegenbod komt terug in het dossier als bewijs van eigen onderhandelingspositie.
  • Geen automatische of collectieve kwalificatie. CaredIn beoordeelt niemand op sector- of platformniveau. De modelovereenkomst en de score gelden per professional, op basis van diens eigen werkpatroon — precies zoals het hof voorschrijft dat het hoort.

Geen van deze functies is een garantie: schijnzelfstandigheid wordt uiteindelijk beoordeeld op de feitelijke praktijk, per individueel geval, niet op wat een platform in zijn voorwaarden beweert. Wat CaredIn wel doet, is precies de signalen zichtbaar en aantoonbaar maken waarop het hof, de Belastingdienst en straks de Wet VBAR toetsen — zodat een professional zelf kan laten zien wat er telt, in plaats van dat achteraf te moeten reconstrueren.