Wat er niet doorgaat

De Wet VBAR (Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties) zou de negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest vertalen naar concrete wettelijke indicatoren voor 'sturing en gezag' tegenover 'zelfstandig ondernemerschap' en 'organisatorische inbedding'. Minister van Werk en Participatie Thierry Aartsen heeft dat deel van het wetsvoorstel ingetrokken. Er komt geen wettelijke codificatie van die indicatoren via de VBAR. Het kabinet werkt in plaats daarvan aan een bredere, nog niet uitgewerkte Zelfstandigenwet, die de rechtspositie van zelfstandigen op langere termijn moet verhelderen.

Voor de praktijk betekent dit vooral: de toets waarmee een rechter of de Belastingdienst bepaalt of iemand zzp'er is of werknemer, blijft voorlopig zuiver gebaseerd op rechtspraak — de negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest, zoals uitgewerkt in latere arresten zoals de Uber-zaak. Geen nieuwe wettelijke checklist, geen andere weging. Wie op de VBAR wachtte om eindelijk een vaste formule te krijgen, blijft met dezelfde open norm zitten die er al was.

Wat er wél doorgaat: het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief

Losstaand van de bredere verduidelijking heeft een ander wetsvoorstel — de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief (wetsvoorstel 36.783) — wél beide Kamers gehaald. De Tweede Kamer nam het aan op 21 april 2026, de Eerste Kamer stemde in op 16 juni 2026, met alleen FVD tegen. De wet is gepubliceerd in Staatsblad 2026, 207; het inwerkingtredingsbesluit van 15 juli 2026 stelt de ingangsdatum vast op 31 december 2026.

De kern: werkt iemand tegen een uurtarief onder €38 (prijspeil 1 januari 2026, twee keer per jaar herijkt gelijk met het wettelijk minimumloon), dan kan die persoon zich beroepen op een wettelijk vermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Vermoeden betekent hier iets specifieks: het is geen automatische kwalificatie, maar een omkering van de bewijslast. Niet de werkende hoeft te bewijzen dat hij eigenlijk werknemer is — de opdrachtgever moet aantonen dat er daadwerkelijk sprake is van zelfstandig ondernemerschap. Bij een rechter is dat een wezenlijk andere uitgangspositie dan de huidige situatie, waarin degene die stelt dat er een arbeidsovereenkomst bestaat, dat zelf moet bewijzen.

Waarom dit twee aparte vraagstukken zijn

Het is belangrijk deze twee sporen niet door elkaar te halen. De kwalificatievraag — is dit werk in de kern zzp of loondienst? — wordt onveranderd beantwoord met de Deliveroo/Uber-toets: alle omstandigheden van het geval, zonder vaste rangorde. Het rechtsvermoeden verandert die toets niet. Het voegt alleen een praktische shortcut toe voor één specifieke groep: wie tegen een laag tarief werkt, hoeft niet eerst zelf te bewijzen dat de kwalificatievraag in zijn voordeel uitvalt — hij mag beginnen bij het vermoeden van loondienst en de opdrachtgever laten weerleggen.

Voor wie boven de €38 per uur werkt, verandert er op papier niets: geen vermoeden, geen omgekeerde bewijslast, gewoon de bestaande toets op basis van alle omstandigheden.

Wat dit betekent voor zzp'ers in de zorg

Het gemiddelde uurtarief van een zzp'er in de zorg ligt doorgaans ruim boven de €38-grens, zeker bij specialistisch werk zoals verpleegkundige of GGZ-zorg. Voor het merendeel van de zorgprofessionals op CaredIn verandert deze wet dus weinig aan de directe eigen positie. Twee dingen blijven wel relevant:

  • Het tarief zelf wordt een juridisch feit, niet alleen een inkomensgetal. Vanaf 31 december 2026 bepaalt de hoogte van het uurtarief mede wie de bewijslast draagt in een eventueel geschil. Een tarief onderhandelen en vastleggen is dan niet alleen een financiële keuze, maar ook een juridisch verstandige.
  • De kwalificatievraag blijft de kern. Zonder wettelijke VBAR-indicatoren blijft het zichtbaar maken van eigen ondernemerschap — meerdere opdrachtgevers, eigen bedrijfsidentiteit, zelf onderhandelde tarieven, geen aansturing — het enige dat telt bij een toets, ongeacht of die toets via de Belastingdienst of een rechter loopt.

Wat dit betekent voor zorginstellingen

Instellingen die met zzp'ers tegen tarieven rond of onder de €38-grens werken — denk aan minder specialistische ondersteunende functies — krijgen vanaf 31 december 2026 wel degelijk een andere uitgangspositie te verdedigen: bij een geschil moet de instelling zelf aantonen dat er sprake is van echt ondernemerschap, in plaats van dat de professional moet bewijzen van niet. Dat pleit ervoor om, juist bij tarieven in die orde van grootte, het eigen ondernemerschapsdossier van de ingehuurde professional extra goed op orde te hebben — niet pas op het moment dat het misgaat.

Hoe CaredIn hierop is ingericht

Niets aan deze wetswijziging vraagt om een andere aanpak dan al staat sinds de Uber-uitspraak gold: het tarief wordt vrij onderhandeld tussen zzp'er en instelling, nooit voorgesteld of gestuurd door het platform, en elk onderhandelingsmoment komt terug in het ondernemersdossier. Dat dossier — tariefgeschiedenis, onderhandelingslogboek, spreiding over opdrachtgevers — is precies het bewijsmateriaal dat straks van pas komt, ongeacht aan welke kant van de €38-grens een professional zit, en ongeacht wie de bewijslast draagt.

Geen van deze functies is een garantie: de kwalificatievraag wordt uiteindelijk per geval beoordeeld op de feitelijke praktijk. Wat CaredIn doet, is dat dossier alvast opbouwen, zodat het er is wanneer het nodig is — niet pas achteraf reconstrueren.

Bronnen: Rijksoverheid.nl, Eerste Kamer der Staten-Generaal (wetsvoorstel 36.783), ZZP Nieuws.