Kort antwoord

In 2025 had 19 procent van de jeugdzorgaanbieders een winstmarge boven 10 procent, tegen 14 procent in 2022. De hoogste marges zitten bij commerciële B.V.'s die werk doorzetten naar derden; die uitbesteding nam tussen 2022 en 2025 met 70 procent toe (A-INSIGHTS).

Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Ze kopen zorg in bij honderden aanbieders, van grote stichtingen tot kleine B.V.'s. Tegelijk lopen de tekorten bij gemeenten op. Hoe kan het dan dat steeds meer aanbieders flinke winst maken?

De cijfers

  • 19 procent van de aanbieders: winstmarge boven 10 procent in 2025 (2022: 14 procent).
  • 20 procent: winstmarge tussen 5 en 10 procent (2022: 16 procent).
  • Het aandeel verlieslatende aanbieders daalde van 30 naar 21 procent.
  • Uitbesteding door jeugdzorg-B.V.'s nam tussen 2022 en 2025 met 70 procent toe.

Bron: analyse van A-INSIGHTS, gedeeld met gemeenten in juni 2026 (Binnenlands Bestuur, 20 juli 2026).

De B.V.-strategie

De onderzoekers zien een patroon: een commerciële B.V. sluit een contract met de gemeente en zet het werk door naar onderaannemers. De marge blijft bij de tussenschakel. Volgens het onderzoek "concentreren de marges zich bij commerciële partijen die werk doorzetten naar derden". Hoe meer schakels, hoe lastiger het voor een gemeente wordt om te zien wie de zorg eigenlijk levert en wat die zorg kost.

Het tegengeluid

Winst is in de jeugdzorg niet verboden, en een gezonde marge is nodig om reserves op te bouwen. Grote aanbieders van complexe zorg draaien vaak juist verlies. Eerdere winstcijfers in de media werden bovendien bekritiseerd omdat ze verschillende rechtsvormen op één hoop gooiden. Het probleem is daarom niet winst op zich, maar winst bij partijen die zelf weinig zorg leveren.

Dit artikel hoort bij de reeks Waar blijft het zorggeld? Begin bij het overzicht: Wat kost marktwerking de Nederlandse zorg?