Als werknemer heb je een vangnet. Als zzp'er niet.

Het is een verwarring die we vaak horen: is een arbeidsongeschiktheidsverzekering niet iets voor personeel? Precies andersom. Werknemers hébben al een vangnet en hoeven zelf niets te regelen. Wordt een verpleegkundige in loondienst ziek, dan betaalt de werkgever tot twee jaar lang het loon door. Duurt de arbeidsongeschiktheid langer, dan volgt een WIA-uitkering. Dat is wettelijk geregeld en de werknemer merkt er in de praktijk weinig van.

Als zzp'er val je buiten dat hele systeem. Er is geen werkgever die doorbetaalt en er is geen WIA. Breek je je pols tijdens een dienst, dan stopt je inkomen op de dag dat je niet meer kunt werken. Niet na twee jaar, niet na twee maanden — meteen. Dat is de kern: een AOV is geen werknemersding, het is juist het gat dat zzp'ers zelf moeten dichten.

Waarom dit in de zorg extra hard aankomt

Zorgwerk is fysiek werk. Tillen, draaien, lange diensten, onregelmatige nachten. Rugklachten, schouderblessures en overbelasting zijn in deze sector geen uitzondering maar beroepsrisico. Daar komt psychische belasting bovenop: de zorg staat al jaren bovenaan de lijstjes voor werkgerelateerd verzuim.

Toch is een groot deel van de zzp'ers in de zorg niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. De meest genoemde reden is de premie. Begrijpelijk — maar het risico dat je daarmee draagt is groter dan de meeste mensen inschatten. Een langdurige uitval betekent zonder verzekering: geen inkomen, wél doorlopende vaste lasten, en vaak het aanspreken van spaargeld dat bedoeld was voor je pensioen of je belastingaanslag.

De verplichte AOV komt eraan: de stand van zaken

De overheid vindt dit risico inmiddels ook te groot. Er ligt een wetsvoorstel voor een Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen, kortweg de BAZ. Dat is een verplichte basisverzekering voor iedereen die winst uit onderneming geniet.

Waar staat het nu? De ministerraad ging op 13 maart 2026 akkoord met het aangepaste voorstel, dat op 23 maart 2026 naar de Tweede Kamer is gestuurd. De commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid nam het op 7 april 2026 regulier in behandeling. Het voorstel ligt dus nog bij de Kamer en kan daar nog worden gewijzigd.

De invoering laat vervolgens nog jaren op zich wachten: de verwachting is dat de verplichting niet eerder ingaat dan 1 januari 2030. Dat klinkt als iets om later over na te denken. Dat is precies de denkfout.

De peildatum is het punt waarop het voor jou spannend wordt

In de plannen zit een zogeheten peildatum: een moment waarop wordt gekeken of je al een particuliere AOV hebt die aan de voorwaarden voldoet. Heb je die op dat moment, dan mag je die naar verwachting houden en val je niet automatisch onder de verplichte publieke verzekering. Die peildatum wordt naar verwachting in 2026 vastgesteld — dus jaren vóór de invoering zelf.

Wat dat concreet betekent: wachten tot 2030 kan je de keuzevrijheid kosten. Wie nú een particuliere verzekering heeft die aan de eisen voldoet, houdt straks waarschijnlijk de eigen polis, met de eigen voorwaarden, wachttijd en eindleeftijd. Wie niets heeft, krijgt de publieke basisverzekering met de voorwaarden die de wetgever bepaalt.

Let op: zolang het wetsvoorstel in de Kamer ligt, kunnen de details veranderen. De peildatum, de premie en de exacte voorwaarden staan nog niet vast. Volg de ontwikkelingen, of laat je adviseren voordat je een polis afsluit die je jaren meedraagt.

Wat zijn je opties nu?

Er is meer dan één manier om dit risico af te dekken, en ze verschillen sterk in prijs en dekking:

  • Een particuliere AOV: de meest complete dekking, tot je pensioenleeftijd. De premie hangt af van je leeftijd, beroep, gewenste uitkering en vooral van de wachttijd die je kiest — hoe langer je zelf overbrugt, hoe lager de premie.
  • Een broodfonds of schenkkring: een groep ondernemers die elkaar bij ziekte een schenking doet. Goedkoper, maar de looptijd is beperkt (meestal maximaal twee jaar) en het is geen verzekering met juridische aanspraak.
  • Een crowdsurance-variant: een tussenvorm met lagere kosten en een beperktere dekking dan een klassieke AOV.
  • Zelf sparen: werkt voor een paar weken uitval, niet voor een jaar. Onderschat niet hoe snel een buffer verdampt als er geen inkomen tegenover staat.

De belangrijkste knop waar je zelf aan draait is de wachttijd. Kun je drie maanden overbruggen met spaargeld, dan scheelt dat aanzienlijk in de premie ten opzichte van een dekking die na twee weken ingaat.

Er is nog een reden om dit te regelen: je ondernemersstatus

Naast het financiële risico speelt er iets anders mee. Bij de beoordeling of iemand écht zelfstandig ondernemer is of eigenlijk verkapt werknemer, kijken de Belastingdienst en de rechter naar het ondernemersrisico dat je draagt en naar de voorzieningen die je zelf treft. Een zzp'er die zich verzekert tegen aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid, gedraagt zich aantoonbaar als ondernemer.

Andersom werkt het ook: iemand zonder enige eigen voorziening lijkt op dat punt meer op een werknemer. Met de aangescherpte handhaving op schijnzelfstandigheid en de aankomende Zelfstandigenwet is dat geen theoretisch punt meer. Je AOV is dus niet alleen een financieel vangnet, maar ook een bouwsteen van je ondernemersdossier.

Wat je deze maand kunt doen

Begin met de vraag hoe lang je het zonder inkomen zou uithouden. Reken het echt uit: vaste lasten per maand, gedeeld door je buffer. Dat getal is je feitelijke wachttijd, of je die nu bewust gekozen hebt of niet.

Vraag daarna offertes op bij meerdere aanbieders en vergelijk niet alleen de premie, maar ook het arbeidsongeschiktheidscriterium: wordt gekeken of je jouw eigen beroep nog kunt uitoefenen, of elk denkbaar beroep? Voor zorgprofessionals met fysiek werk is dat verschil groot.

Op CaredIn vind je in je dashboard onder Verzekeringen de opties die via het platform beschikbaar zijn, en met de Ondernemerscheck zie je in vijftien vragen hoe sterk je ondernemersprofiel er verder voor staat. Beide kosten je een paar minuten en geven je een concreter beeld dan dit artikel kan.